Onderzoek in Onderwijs

De ontwikkeling van interventieprogramma’s afgestemd op individuele bewegingsvaardigheden en kwaliteiten bij kleuters ter bevordering van motorische basisvaardigheden

  • Promotor: Dr. Steve De Decker - steve.de.decker@ehb.be 
    Gsm: 0477/411.438 
    Dienstadres: Erasmushogeschool Brussel, Laarbeeklaan 121, 1090 Brussel
  • Projectmedewerker: Bart Vandaele - bart.vandaele@vub.ac.be 
    GSM: 0475/974.062
  • Projectteam: EhB, VUB, Artesis, Xios
  • Start: 1/10/2012
    Einde : 1/10/2015
  • Speerpunt: Zorgzaam omgaan met kinderen en jongeren
  • Opleidingen: Lerarenopleiding, Lager Secundair Onderwijs/Lichamelijke opvoeding

Abstract
Levenslang actief zijn vormt de basis van een fitte en gezonde levensstijl. De ontwikkeling van motorische vaardigheden is van primair belang om de betrokkenheid in fysieke activiteiten te bevorderden. Reeds op kleuterleeftijd heerst er een positieve relatie tussen de hoeveelheid fysieke activiteit en de ontwikkeling van motorische vaardigheden. Toch werd vastgesteld dat Vlaamse kleuters zowel thuis als op school te weinig bewegen. Heden merken we tevens op dat minder kleuters zeer goed tot goed scoren op fundamentele motorische vaardigheden en dat de groep kinderen die onder het gemiddelde tot zwak scoort verder groeit. Echter, lessen lichamelijke opvoeding zijn de ideale setting om de motorische vaardigheden van kinderen te verbeteren en de fysieke activiteit in functie van een optimale gezondheid te bevorderen. Zo wordt bijvoorbeeld de ontwikkeling van grove motorische vaardigheden positief beïnvloed door de hoeveelheid stimulatie binnen de schoolomgeving. Het is dan ook van primordiaal belang dat de bewegingslessen op school zorgvuldig afgestemd worden op het ontwikkelingsniveau van de kleuter.
Hierbij dient er niet alleen rekening gehouden te worden met de prestatie, maar moet ook de kwaliteit van de beweging in rekening gebracht worden. Alleen zo kunnen gerichte, op het ontwikkelingsniveau afgestemde interventie-programma’s opgesteld worden zowel voor het individu als een groep.

Context (pdf)

Invloed van verschillende didactische werkvormen op de retentie van reanimatievaardigheden in de derde graad van het secundair onderwijs

  • Promotor: Veerle Van Raemdonck - veerle.van.raemdonck@ehb.be 
    Gsm:+32-495 32 25 21 
    Dienstadres: EhB Campus Jette, Laarbeeklaan 121, 1090 Brussel
  • projectmedewerker: Dirk Aerenhouts - dirk.aerenhouts@ehb.be 
    Dienstadres: EhB Campus Jette, Laarbeeklaan 121, 1090 Brussel
  • Projectteam: EhB, VUB
  • Start: 1/10/2011
    Einde : 1/10/2014
  • Speerpunt: Zorgzaam omgaan met kinderen en jongeren
  • Opleidingen: Lerarenopleiding, Lager Secundair Onderwijs/Lichamelijke opvoeding

Abstract
Snelle en efficiënte hulpverlening bij slachtoffers van acute hartproblemen is essentieel. De laatste Europese reanimatierichtlijnen (2010) accentueren daarom het belang van CPR-opleiding gericht naar van een brede populatie, bijvoorbeeld via scholen. Recent onderzoek van de Erasmushogeschool Brussel en Vrije Universiteit Brussel toonde aan dat de wil en intentie om CPR aan te bieden in Vlaamse scholen groot is, maar dat praktische drempels (gebrek aan tijd en materiaal) het aanbod bemoeilijken. Datzelfde onderzoek toonde ook aan dat het mogelijk is om de basis van het reanimeren aan te leren met goedkoop en alternatief materiaal. Het leerresultaat na één les blijft echter beperkt, en is onvoldoende om te spreken van het behalen van een eindterm.

Voor eenmalige CPR-lessen geldt over het algemeen een beperkte retentie van kennis en vaardigheden. Deze blijken bovendien gerelateerd aan een terughoudendheid ten opzichte van de toepassing ervan in een noodsituatie. Door aangepaste zelfstandige leermethoden met peerondersteuning en visuele ondersteuning aan te bieden, willen de onderzoekers aan dit probleem tegemoet komen. Dit project wil didactische werkvormen met goedkoop en alternatief materiaal verder uitdiepen en de attitude ten opzichte van CPR tijdens het leerproces meten, zodat de eindtermen die betrekking hebben op CPR in het Vlaamse onderwijs meer gericht kunnen gerealiseerd worden.

Context (pdf)

Afgerond onderzoek

Ontwikkeling van psychomotorische vaardigheden bij vier- tot zesjarige kleuters in Vlaanderen

  • Opleidingen: lerarenopleiding (secundair onderwijs, kleuteronderwijs)
  • Onderzoeker(s): Bart Vandaele, Steve De Decker
  • Contact (e-mail): steve.de.decker@ehb.be, bart.vandaele@ehb.be
  • Start: 1/10/2008
    Einde: 1/10/2011
  • In samenwerking met: VUB vakgroep BETR, VUB Vakgroep Ontwikkelings- en levenslooppsychologie, Hogeschool Antwerpen (Artesis), XIOS Hogeschool Limburg, Katholieke Hogeschool Mechelen, Katholieke Hogeschool Kempen
  • Trefwoorden: Psychomotoriek, motoriek, MOT4-6 test, motorische ontwikkeling, fundamentele motorische vaardigheden, kleuters, bewegingskwaliteit

Dat de ontwikkeling van motorische vaardigheden een belangrijk deel uitmaakt van de gehele ontwikkeling van de kleuter en het jonge kind, behoeft geen verdere uitleg. In de literatuur is men het er duidelijk over eens dat het stimuleren van de ontwikkeling van deze motorische vaardigheden bijzondere aandacht moet krijgen.
Om het bewegingsonderwijs optimaal af te kunnen stemmen op het vaardigheidsniveau van de huidige generatie kleuters, is kennis over en inzicht in de ontwikkeling van de motoriek van fundamenteel belang.

Uit voorgaand onderzoek is reeds gebleken dat steeds meer vier- tot zesjarige kleuters onder het gemiddelde tot zwak scoren op de MOT4-6 test. Deze proef meet de motorische vaardigheden van kleuters in de betrokken leeftijdsgroep.

Tot op heden is er echter weinig onderzoek verricht naar de kwalitatieve bewegingskenmerken bij vier- tot zesjarige Vlaamse kleuters. Om meer inzicht te krijgen in de motorische vaardigheden van deze leeftijdsgroep, heeft dit onderzoek dan ook als hoofddoelstelling om naast een kwantitatieve meting van het vaardigheidsniveau bij kleuters (op basis van de MOT 4-6 test) een kwalitatief evaluatieprotocol te ontwikkelen. De koppeling tussen de kwantitatieve en kwalitatieve gegevens over de ontwikkeling van de fundamentele bewegingsvaardigheden is onontbeerlijk. Alleen op die manier zal het mogelijk zijn een duidelijk profiel op te maken van het vaardigheidsniveau van de huidige generatie kleuters in Vlaanderen.

Vormgeving van de speelplaats op de basisschool in functie van veiligheid en ergonomie

  • Opleidingen: landschaps- en tuinarchitectuur, lerarenopleiding (lager onderwijs, kleuteronderwijs)
  • Onderzoeker(s): Eva De Wachter, Warni Koers, Pieter De Witte
  • Contact (e-mail): eva.de.wachter@ehb.be
  • Start: 1/10/2008
    Einde: 1/10/2010
  • Trefwoorden: speelplaats, stedelijk, basisonderwijs, ontwerp, kindvriendelijk, avontuurlijk, veilig, groen, natuur

Met dit opleidingsoverschrijdend onderzoek gaan de onderzoekers na hoe schoolspeelplaatsen ingericht kunnen worden in basisscholen in stedelijk gebied. Het doel is een handleiding op te stellen die basisscholen en (tuin- en landschaps)architecten in staat stelt, rekening houdend met de specifieke behoeften en wensen van de betrokkenen, een speelplaats aan te leggen die afgestemd is op de specificiteit van de stedelijke context.

Om dit te realiseren namen de onderzoekers en studenten eerst een enquête af in een vijftigtal scholen in en rondom Brussel omtrent hun speelplaats en het gebruik ervan. Daarna werden 20 scholen geselecteerd, waar studenten een beschrijving van de actuele speelplaatsinfrastructuur en -accommodatie maakten. Vervolgens werden de betrokkenen zoals kinderen, leraars en bestuur via mondeling enquêteonderzoek bevraagd in verband met het gebruik en de beleving van de schoolspeelplaats.

Tot slot maken de studenten nieuwe ontwerpen voor deze 20 schoolspeelplaatsen in functie van de beschreven restricties, noden en wensen. Tijdens een studiedag worden zowel aan de studenten als aan de betrokkenen van de Brusselse scholen aanbevelingen gepresenteerd omtrent de inrichting van een speelplaats. De richtlijnen worden samen met de analyses en de ontwerpen voor de scholen gebundeld in een praktische handleiding voor het ontwerpen van schoolspeelplaatsen in een stedelijke context.